Rampen in Groningen
GIFMOORD IN WARFFUM, 1946

Het heeft bijna acht jaar geduurd voordat men in 1954 besefte dat Jantje van Bergen haar man Pieter van der Veen had vergiftigd.

Pieter was een eenvoudige ziel die niet kon lezen of schrijven. Maar hij was goedhartig, sterk en een harde werker. Jantje had voor haar huwelijk met Pieter al een roerig liefdesleven achter de rug. Ze was al eerder getrouwd geweest met Jakob Hulzebos, maar dat was geen goed huwelijk. Ze ging er vandoor met een schipper naar Amsterdam, maar keerde als snel terug naar het noorden. Ze werd huishoudster op de boerderij van de familie Van der Veen in Warffum, waar zij zoon Pieter leerde kennen. Zij scheidde in 1932 van Hulzebos en Jantje en Pieter trouwden in december 1933; zij was 32 en hij 36 jaar oud.
Jantje en Pieter konden goed met elkaar opschieten. Hij deed alles om het haar naar de zin te maken. Jantje zei later over Pieter: "hij was altijd goed voor mij, maar hij was zo saai".
Hun kalme leven veranderde in 1943 toen de Voogdijraad de drie jonge kinderen van buurman Johannes Mekkes onderbracht bij Jantje en Pieter. Mekkes was een zeeman die door oorlog niet meer kon varen. Zijn vrouw had hem in de steek gelaten en hij kon niet goed voor de kinderen zorgen. Jantje nam tegen betaling de verzorging over.
Mekkes kwam zijn kinderen regelmatig opzoeken. Er onstond al snel een liefdesrelatie met Jantje. Pieter had niets in de gaten. Jantje vond Mekkes levendiger en intelligenten dan haar man. Ze verlangde  steeds meer naar een nieuw leven met Mekkes en zijn kinderen.
Zij had Mekkes al een keer voorgesteld om samen weg te lopen, maar daar voelde hij niets voor. Bij nader inzien vond Jantje dit zelf ook niet zo verstandig, omdat ze dan haar huis en bezittingen kwijt zou raken.

Steeds vaker dacht Jantje dat haar man Pieter in de weg stond van een gelukkig leven met Mekkes.

Bij de voorjaarschoonmaak vond Jantje in een kast een zakje Parijs groen; zwaar vergif stond er op. Pieter gebruikte het gif om ongedierte in de tuin te verdelgen.
Donderdag 2 mei 1946 was Pieter ziek. Hij lag met koorts in de bedstee. Terwijl hij lag te slapen pakte Jantje een beker regenwater en roerde er een lepel Parijs groen doorheen. Ze zette de beker water in de kast. In de nacht, toen Jantje naast hem lag, vroeg Pieter om water. Zij pakte de beker met gif uit de kast en roerde het nog even door. Pieter dronk de beker in een teug leeg. Jantje stapte weer in de bedstee en sliep verder.
Later in de nacht werd Jantje even wakker. Ze hoorde haar man in schuur hevig braken. Ook had hij hevige buikrampen. Zij wachtte tot hij weer in de bedstee lag en sliep toen verder.
De volgende dag voelde Pieter zich nog niet lekker, maar hij wilde weer aan het werk. Zijn vrouw haalde hem over om in bed te blijven. Zij was bang dat hij anders over zijn ziekte zou praten en  de vergiftiging bekend zou worden. Vrijdag kwam een zus van Jantje op bezoek. Zij stelde voor om een dokter te roepen bij de zieke Pieter, maar Jantje vond dit niet nodig. Zij bracht haar zus later naar de trein en toen zij thuis kwam was Pieter dood.
De dokter kon geen doodsoorzaak vaststellen en gaf deze op als onbekend. In haar omgeving vertelde Jantje dat haar man aan een hartkwaal was gestorven. Velen vonden het vreemd dat een sterke en gezonde man zo plotseling kon overlijden, maar stonden daar verder niet bij stil. Een enkeling bleef twijfels houden over de doodoorzaak van Pieter.

Jantje maakte veel werk van de begrafenis. Haar minnaar sprak een dankwoord bij het graf. Van Pieters verzekering kreeg zij 500 gulden. Zij plaatste een dure zerk van meer dan 300 gulden op het graf. Regelmatig ging zij naar het kerkhof om bloemen te leggen op Pieters graf.

Twee maanden na het overlijden trok haar minnaar Mekkes bij haar in als kostganger. Een jaar later trouwden zij. Het werd geen gelukkig huwelijk. Ze hadden ruzies en vochten met elkaar. Jantje zou veel slaag hebben gekregen en zij zou hem vaak achterna zitten met een bijl. Regelmatig moest de politie ingrijpen.
In april 1954 heeft Mekkes het huis verlaten. Hij zou gezegd hebben: "Ik verdwijn maar, anders kon mij wel eens hetzelfde overkomen als Pieter." Mekkes heeft altijd ontkend dat hij dit gezegd heeft.
De geruchten over de plotselinge en onverklaarbare dood van Pieter van de Veen staken de kop weer op en verbreidden zich snel. Ze bereikten ook de politie en  het Openbaar Ministerie. Besloten werd het lijk van Pieter op te graven. Op de lijk werden resten van koper en arsenicum aangetroffen. De grote doses die werden gevondden gecombineerd met het ziekteverloop gaven aan dat Pieter vergiftigd was met Parijs groen.

In november 1954 stond Jantje van Bergen voor de rechter. Zij werd toerekeningvatbaar gevonden. Gevraagd naar haar motief voor de moord zei zij: "Ik heb het gedaan voor Mekkes en de kinderen".
Ze werd veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf.
In hoger beroep werd in opdracht van het gerechtshof een diepgaand psychiatrisch onderzoek verricht, waaruit bleek dat Jantje minder toerekeningsvatbaar moest worden geacht.
Het gerechtshof in Leeuwarden veroordeelde haar vervolgens tot 10 jaar gevangenisstraf met aftrek

Tekening van Jantje van Bergen
Nieuwsblad van het Noorden