Rampen in Groningen
BARELD KOMDUUUR DE HALS AFGESNEDEN, TER APEL 1923

Donderdagochtend 26 april 1923 waren arbeiders van de Stad Groningen aan het werk aan de  doorgaande straat in Ter Apelkanaal. Uit een droge sloot bij de weg rende plotseling een haas langs hen heen naar een nabij gelegen bosje aan de Nulweg. De mannen holden de haas achterna om hem te vangen. Tot hun ontsteltenis stuitten zij echter tussen de bomen op een bebloed lijk van een man met een diepe snee in zijn hals.

De gewaarschuwde politieman Jelte van der Laan fouilleerde het lichaam maar vond geen papieren, portefeuille of portemonnee aan de hand waarvan zijn identiteit kon worden vastgesteld. Het zakhorloge van de overledene liep nog, zodat de man niet lang dood kon zijn.
Het lichaam werd naar het lijkenhuisje in Ter Apel overgebracht. Het slachtoffer werd omgeschreven als een enigszins gezette jonge man van middelmatige lengte. Hij was netjes gekleed: een blauw kostuum, overhemd met liggende boord en zelfbinder, nieuwe onderkleding en nieuwe schoenen met gummihakken.
De politie kon de identiteit van de overledene niet direct vast stellen. Eerst werd gedacht dat het slachtoffer ene Haandrikman uit Ter-Apelkanaal was en er werden zelf twee mannen gearresteerd voor de moord, maar Haandrikman bleek springlevend te zijn. Besloten werd het publiek de gelegenheid te geven om het lichaam te aanschouwen, in de hoop dat iemand de overledene zou herkennen. Binnen enkele dagen kwamen tientallen mensen het lichaam bekijken.
Hendrik Rossingh uit Odoorn identificeerde de overledene als de 26 jarige Bareld Komduur, die bij hem in de kost was.  Via een nota van een kleermaker uit Valthe, die op het lijk was gevonden, kon de politie eveneens de identiteit van het slachtoffer vaststellen.
Rossingh kende Komduur al jaren en beschreef hem als "een flinke, oppassende jongeman, stil en enigszins gesloten van karakter"
Rossingh vertelde de politie dat drie weken daarvoor Komduur een poos met de 24 jarige Pieter de Bruin had staan praten. Komduur en de Bruin waren kennissen.

Komduur vertelde hem later dat hij bij de firma van de Bruin in dienst kon komen als reizende verkoper van confectie. Hij zou wel dertig gulden per week kunnen verdienen. Voor de te verkopen kleding die de Bruin hem zou leveren moest hij wel een waarborgsom van 60 gulden betalen. Komduur ging akkoord en betaalde de 60 gulden. Van de Bruin kreeg hij een schuldbekentenis voor dat bedrag.
Rossingh was verbaasd dat Komduur verkoper werd, want hij was geen vlotte, gemakkelijke prater. Rossingh vroeg of hij ook verkoper kon worden, want een inkomen van dertig gulden per week was een hoop geld. Komduur vertelde dat er bij de confectieverkoop wel een geheim was, maar wat dat was wilde hij niet vertellen. De vrouw van Rossingh verbood haar man mee te doen, want zaken met een geheim vertrouwde ze niet.
De Bruin had Komduur verteld dat de confectie smokkelwaar en dat hij daar beter niets over kon zeggen.

De politie hoorde van Rossingh dat op de avond van de moord Komduur tegen half negen uit zijn kosthuis vertrok voor een ontmoeting met de Bruin. Zij zouden praten over nieuwe werkzaamheden. Komduur had een portemonnee met 25 gulden bij zich. Vervolgens ondervroeg de politie Pieter de Bruin indringend over zijn zakelijke relatie met Komduur en zijn bewegingen op de avond van de moord. De Bruin bekende hij dat hij Komduur had gedood.
In het verhoor verklaarde de Bruin dat hij geen firma in manufacturen had. Hij had dat gezegd om betrouwbaar over te komen en daarmee Komduur geld te ontfutselen. Van de waarborgsom van 60 gulden van Komduur had hij drie kostuums gekocht en Komduur de opdracht gegeven deze in  Friesland te verkopen. De eerste week had Komduur zonder succes twee dagen door Friesland gereisd. Omdat hij geen volle week had gewerkt, betaalde de Bruin hem een salaris van 15 gulden. De tweede week was het bedrag van de waarborgsom dusdanig geslonken dat de Bruin geen geld meer had om Komduur te betalen. Hij vreesde dat zijn bedrog aan het licht zou komen. Hij probeerde de schuldbekentenis weer in handen te krijgen, zodat Komduur geen bewijs tegen hem had. Toen dat mislukte besloot de Bruin Komduur te vermoorden.


Die dinsdagavond was de Bruin bij zijn zuster in Weerdingermond. Hij ontmoette Komduur in café Eleveld, dronken daar samen wat en vertrokken daarna op de fiets naar Ter Apel. Bij de Nulweg in Ter Apel lokte de Bruin Komduur een bosje in. Daar heeft hij hem onverhoeds en zonder worsteling met een scheermes de keel afgesneden. Hij doorzocht de zakken van het lijk en nam de portemonnee en de schuldbekentenis mee. Hij verborg zich enige tijd in een roggeveld, waar hij ook het scheermes achterliet en vertrok vervolgens naar zijn kosthuis in Barnflair. Volgens eigen zeggen kwam hij daar tegen 10 uur aan, maar volgens de vrouw van zijn kostbaas Wans kwam hij pas tegen twaalven thuis en ging onmiddellijk naar boven om te slapen. Om vijf uur stond hij op om naar zijn familie in Weerdingermond te gaan.
Voordat hij vertrok verbrandde hij de schuldbekentenis en andere papieren. De kleding en schoenen die hij dinsdag aanhad nam hij mee in een pakje.
In Weerdingemond heeft hij kinderen eerst vier en daarna nog drie pakjes bruine verf laten halen en verfde daarna het pak dat hij tijdens de moord aanhad.
De politie nam de kleren in beslagen zij ontdekte bloedsporen op het costuum evenals op zijn sjaal. In de tuin van zijn familielid werd een pet opgegraven met daarin de doos van een scheermes en de portemonnee van Komduur met daarin een briefje van fl.2,50. Van het geld dat hij uit de portemonnee had genomen had hij nieuwe schoenen gekocht.

Door de rechtbank in Winschoten veroordeelde de Bruin in juni 1923 wegens moord tot 15 jaar gevangenisstraf.
Het nulbos in 1923
Jacob Been wijst de plek aan waar hij en Hendrik Suk (inzet) het lijk vonden